Close

4. Ziekte en zingeving in de late middeleeuwen en vroegmoderne tijd

Download als PDF

Door Jan Frans van Dijkhuizen

Een van de vroegste filosofische benaderingen van ziekte (en lijden in bredere zin) vinden we in het Stoïcisme, dat stamt uit de klassieke oudheid, en dat tijdens de late middeleeuwen en vroegmoderne tijd een sterke opleving doormaakte. Centraal in dit denken staat de aanname dat we controle kunnen uitoefenen over onze affectieve reactie op ons eigen lichamelijk leed: het is aan ons om de sensaties van het lichaam wel of niet door te laten dringen tot onze geest of ziel – om onaangedaan te blijven door lichamelijk ongemak. In het 14e-eeuwse De remediis utriusque fortunae (Remedies tegen het lot) raadt de humanist Francesco Petrarca zijn lezers aan om hun ziel ‘nee’ te leren zeggen tegen lichamelijke pijn: pijn is een zaak van het lichaam, en de ziel is niet vatbaar voor wat zich in het lichaam afspeelt. Ook op deze manier worden pijn en ziekte betekenisvol gemaakt: ze bieden een gelegenheid om de geest te stalen, en een wilskracht te cultiveren en te tonen die stoïcijnen zagen als een kenmerk van ware mannelijkheid. Zij wezen daarbij ook op wat zij zagen als de gevaren van compassie: medelijden is iets vrouwelijks, moet daarom in toom worden gehouden en is slechts zinnig wanneer zij leidt tot praktische bijstand, waarbij de hulpverlener zelf innerlijk onaangedaan blijft. Naar aanleiding van de coronacrisis hebben sommige opinieschrijvers al opgeroepen tot een herwaardering van de stoïcijnen (zie bijvoorbeeld dit stuk in NRC Handelsblad).

Fig. 1. Het beroemde Isenheim-altaarstuk (1512–1516) van Matthias Grünewald (ca. 1470–1528), dat aan het eind staat van een lange traditie van laat-middeleeuwse kruisigingsschilderijen. Het is oorspronkelijk vervaardigd voor het Antonietenklooster in Isenheim. Op het lichaam van Grünewalds Christusfiguur zijn zweren te zien die aan de pest doen denken, als teken dat Christus deelt in de ziektes van de mensheid.

Ook het christendom kent uiteraard een lange en diverse traditie van bespiegelingen over ziekte en lichamelijk lijden. Een kerngedachte in christelijke ziektediscoursen is dat ziekte niet een willekeurige gebeurtenis vormt, maar juist diep betekenisvol is. In wat historici later de affective piety van de late middeleeuwen zouden gaan noemen werden christenen opgeroepen om intens mee te leven en mee te voelen met de lijdende Christus, bijvoorbeeld door te mediteren op het lijdensverhaal of door het zeer geconcentreerd bekijken van kruisisingsschilderijen. Voor het laat-middeleeuws katholicisme veranderde dit ook de betekenis van menselijke pijn: via lichamelijk lijden hebben we deel aan het lijden van Christus zelf, en daarmee ook aan de redding van onze ziel. Betekenisvoller kun je het nauwelijks krijgen: door lichamelijke pijn worden we spiritueel opgetild.

Binnen een ander christelijk narratief, dat we met name vanaf de protestantse Reformatie in steeds weer andere vormen zien opduiken, geldt ziekte als een spirituele test, een uitnodiging van God tot zelfreflectie en bezinning op onze zonden. Het doel van ziekte wordt daarmee: een verdiept zelfinzicht, een scherper besef van de eigen zondigheid, en een scherpere gerichtheid op God. Deze gedachte keert ad nauseam terug in de ontzagwekkende hoeveelheid troostliteratuur die Protestantse geestelijken vanaf de zestiende eeuw produceerden.

Opmerkelijk verwierpen diezelfde geestelijken expliciet een van de grootste christelijke clichés over ziekte, namelijk de gedachte dat ziekte een straf van God is. Iedereen die het bijbelboek Job heeft gelezen, zo stelden zij, weet dat dat niet waar kan zijn. Sterker nog: wie ziekte als straf ziet, is geen trooster maar een kwelgeest. En, zoals de zeventiende-eeuwse Engelse geestelijke John Downame schreef, troost betekent dat ‘één last door vele schouders samen gedragen wordt’. Protestantse geestelijken wezen er ook graag op dat ziekte ons dichter bij God brengt. Een andere zeventiende-eeuwse Engelsman, Richard Allestree, drukte zijn lezers op het hart dat wie door ziekte aan bed is gekluisterd, schijnbaar eenzaam, zich getroost weet door de wetenschap dat ‘God nog nooit zo dichtbij u was, en nog nooit zo teder voor u zorgde. […] Als uw kussen ongemakkelijk ligt, draait hij het voor u om zodat u er zacht in kan rusten’.

Fig. 2. Toepasselijke lectuur in tijden van corona? Calvijns preken over Job, hier in een Frans editie uit 1563.

Ziekte wordt op deze manier vooral een aangelegenheid van het individu: door ziekte komt het individu dichterbij God, en verwerft het individu zelfinzicht. Binnen christelijke narratieven kan ziekte echter ook een sterk communale betekenis hebben. Vroegmodernen grepen daarbij terug op het oudste christelijke narratief over menselijk lijden: martelaarschap. De hervormer Maarten Luther duidde zijn talrijke en frequente lichamelijke kwalen als deel van het lijden dat de hele vroege protestantse gemeenschap onderging: net zoals protestanten collectief vervolgd worden, zo kan het individu lijden door lichamelijke ziekte. Het doorstaan van die ziekte, met een rotsvast vertrouwen in de goddelijke troost, is een soort mini-martelaarschap – een lijden voor het ware geloof, samen met je geloofsgenoten.

Vanuit ons eenentwintigste-eeuwse perspectief bezien is het opvallend dat voor geen enkele vroegmodern auteur er zoiets bestaat als een recht op gezondheid. Het is zeker niet zo dat bijvoorbeeld zeventiende-eeuwers ziekte gelaten accepteerden: alleen al de enorme hoeveelheid zeventiende-eeuwse receptenboeken, met daarin tal van medicijnen voor een al even talrijk aantal aandoeningen, toont dat overtuigend aan. Maar voor vroegmodernen vormde ziekte ook iets dat onvermijdelijk bij het leven hoorde, en waar de mens maar zeer beperkt greep op had – en mede daarom ook om betekenisgeving vroeg.

Menig eenentwintigste-eeuwer zal fronsen bij de gedachte dat zieken een soort martelaren zijn. Maar het idee dat ziekte een spirituele loutering vormt waar we uiteindelijk als beter, geestelijk verdiept mens uit tevoorschijn komen is vandaag de dag nog springlevend, ook in meer seculiere contexten. Een mooi voorbeeld is een recente column van David Brooks in de New York Times van 26 maart 2020, getiteld ‘The Moral Meaning of the Plague’. ‘The virus is a test’, schrijft Brooks’; ‘we have the freedom to respond.’ Volgens hem plaatst de corona-crisis ons als individu voor existentiële spirituele vragen: ‘Are you ready to die? If your lungs filled with fluid a week from Tuesday would you be content with the life you’ve lived?’. Zoals we aan het begin van dit stuk al zagen, wordt deze crisis door velen ook als een meer collectieve loutering gezien, waaruit we hopelijk als een hechtere, rechtvaardiger en duurzamer samenleving tevoorschijn zullen komen. De wil om zin te geven aan ziekte is dus springlevend, en de verhalen waar we daarbij uit putten, zijn niet altijd nieuw. Wat wel nieuw lijkt te zien, en zonder duidelijk historisch precedent, is de gedachte dat we een gemeenschap kunnen vormen door met zijn allen een statistische curve af te vlakken. De statistiek als gemeenschappelijk ziekte-narratief: dat had geen vroegmodern kunnen bedenken.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *